Cursiefje: Benauwd Toontje

Lees alle columns van Jan Stoop op www.borneinbeeld.nl.

De winter is begonnen. Of zoals dichters ook wel zeggen: weinig om het lijf, uitgeworpen als een winterpark, als een adempauze. Midwinterhoorns klinken al. Uitbundig? Nee, dat niet. Herkenbaar is het geluid wel. Waar het tussen Allerheiligen op 1 november en Driekoningen in het nieuwe jaar vandaan komt, is in het donker van de avond moeilijk te traceren. De blazers lijken zich te verschuilen. Dansende lichtjes verraden dat ze er zijn.

De oorsprong van het midwinterblazen is onhelder: donker en mistig. Cultureel antropoloog Jef de Jager haalt in zijn boek Rituelen de bewering aan dat katholieke inwoners in Twente de hoorns gebruikten om elkaar te waarschuwen “bij het naderen van de protestantse overheid”. De Jager voegt er direct aan toe dat dat niet strookt met het gegeven dat zulke hoorns tot in de Alpen voorkomen. Hij haalt ook volkskundige Voskuil aan die zegt dat het midwinterhoornblazen tussen de beide wereldoorlogen “doelbewust is ontwikkeld in een poging het platteland te folkloriseren”. Vanaf 1953 is er een ‘Kemmisie veur ‘t Mirreweenterbloazen’ die jaarlijks een concours organiseert. Op tweede Kerstdag staan enige tientallen blazers aan de ene kant van de Dinkel, en de juryleden aan de andere kant.

Ik blijf wat dichter bij huis, bij de Weideplas, de StroomEschvijver, de plek waar de Bornse ‘herauten van Kerstmis’ hun vreemde melodieuze geluid laten horen. Ga maar af op hun dansende lichtjes.

Nog eens nalezen leert dat er meerdere opvattingen over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan. De één zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest, het winterfeest van de oude Germanen op de kortste dag, die door het blazen van de hoorns de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een ander meent dat het om een oud gebruik van de Israëlieten gaat, die een trompetachtig blaasinstrument, een tuba, gebruikten om hun bruiloftsgasten uit te nodigen.

Ik mocht het eens proberen. Niet geoefend, verre van dat, bracht ik een benauwd klinkend toontje voort dat niet ver droeg. Laat staan dat het boze geesten verjoeg en nieuwsgierige voorbijgangers uitnodigde. Met een vuurrood aangelopen gezicht vertelde ik thuis dat ik de ‘oale roop’ over het Twentse landschap had laten schallen.

Onherkenbaar. Maar dát vertelde ik er niet bij. Het zal vanzelf toch wel Driekoningen worden.

Jan Stoop, 22-12-2020

Je vindt alle verhalen van Jan Stoop op BorneinBeeld.nl